| Art. 1.
Toepassingsgebied
§ 1. Deze
afdeling is van toepassing op huurovereenkomsten betreffende
een woning die de huurder, met uitdrukkelijke of
stilzwijgende toestemming van de verhuurder, vanaf de
ingenottreding tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt. Het
beding waarbij het gehuurde goed niet tot
hoofdverblijfplaats van de huurder mag dienen en dat niet
uitdrukkelijk noch ernstig kan worden gestaafd, onder meer
door elementen met betrekking tot de natuurlijke bestemming
van het goed, en waarin de hoofdverblijfplaats van de
huurder tijdens de huurovereenkomst niet is vermeld, wordt
voor niet geschreven gehouden. Deze afdeling is tevens van
toepassing indien de woning, met de schriftelijke
toestemming van de verhuurder, in de loop van de
huurovereenkomst tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd. In
dat geval neemt de huurovereenkomst een aanvang de dag
waarop deze toestemming is verleend. Deze afdeling is van
toepassing op de onderhuur van de in het eerste lid bedoelde
woning, aangegaan overeenkomstig artikel 4 van deze afdeling
en binnen de grenzen bepaald in hetzelfde artikel.
[§ 1bis.
Deze afdeling is tevens van toepassing op de onderhuur
aangegaan door de verenigingen of door de rechtspersonen
bedoeld in
artikel 1717,
tweede lid, tweede zin, binnen de grenzen bepaald in
artikel 4,
§ 2bis. In dat geval is ook de hoofdhuurovereenkomst
onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling.]
§ 2. Deze
afdeling is niet van toepassing wanneer de overeenkomst op
grond waarvan de woning aan de huurder wordt toegewezen,
ondergeschikt is aan een hoofdovereenkomst, die betrekking
heeft op de functie of de bedrijvigheid van de huurder.
§ 3. Deze
afdeling is niet langer van toepassing zodra het gehuurde
pand niet meer tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd.
§ 1bis
ingevoegd bij art. 4 W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei
1997), van toepassing op de huurovereenkomsten gesloten of
vernieuwd na 31 mei 1997 (art. 15).
Art. 2.
Staat van het gehuurde goed
Het
gehuurde goed moet beantwoorden aan de elementaire vereisten
van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid. Of deze
voorwaarde is vervuld wordt beoordeeld aan de hand van de
staat van het goed op het ogenblik dat de huurder in het
genot ervan treedt. [De
Koning stelt de voorwaarden
vast waaraan ten minste voldaan moet zijn opdat het gehuurde
goed beantwoordt aan de vereisten bepaald in het eerste lid.
Indien de door de vorige leden voorgeschreven voorwaarden
niet zijn vervuld, heeft de huurder de keuze ofwel de
uitvoering te eisen van de werken die noodzakelijk zijn om
het gehuurde goed in overeenstemming te brengen met de
vereisten van het eerste lid, ofwel de ontbinding van de
huurovereenkomst te vragen met schadevergoeding. In
afwachting van de uitvoering van de werken, kan de rechter
een vermindering van de huurprijs toestaan.]
Gewijzigd
bij art. 5 W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei 1997), van
toepassing op de huurovereenkomsten gesloten of vernieuwd na
31 mei 1997 (art. 15).
Art. 3.
Duur van de huurovereenkomst
§ 1. Elke
huurovereenkomst bedoeld in artikel 1 wordt geacht te zijn
aangegaan voor een duur van negen jaar. De huurovereenkomst
eindigt na het verstrijken van een periode van negen jaar
indien ten minste zes maanden vóór de vervaldag door één van
beide partijen een opzegging wordt betekend. Indien binnen
deze termijn geen opzegging wordt betekend, wordt de
huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een
duur van drie jaar verlengd.
§ 2. De
verhuurder kan de huurovereenkomst evenwel te allen tijde
beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van
zes maanden, indien hij voornemens is het goed persoonlijk
en werkelijk te betrekken of het op dezelfde wijze te laten
betrekken door zijn afstammelingen, zijn aangenomen
kinderen, zijn bloedverwanten in opgaande lijn, zijn
echtgenoot, door diens afstammelingen, bloedverwanten in
opgaande lijn en aangenomen kinderen, door zijn
bloedverwanten in de zijlijn en de bloedverwanten in de
zijlijn van zijn echtgenoot tot in de derde graad. [Wordt de
opzegging gegeven opdat bloedverwanten in de derde graad het
goed kunnen betrekken, dan kan de opzeggingstermijn niet
verstrijken vóór het einde van de eerste driejarige periode
vanaf de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.] De
opzegging vermeldt de identiteit van de persoon die het goed
zal betrekken en de band van verwantschap met de verhuurder.
[Deze laatste moet op verzoek van de huurder de band van
verwantschap bewijzen. De verhuurder moet aan dit verzoek
voldoen binnen een termijn van twee maanden te rekenen van
de kennisgeving ervan; zoniet kan de huurder de
nietigverklaring van de opzegging vorderen. Die vordering
moet op straffe van verval uiterlijk twee maanden vóór het
verstrijken van de opzeggingstermijn worden ingesteld.] [Het
goed moet binnen een jaar na het verstrijken van de
opzegging door de verhuurder of, ingeval van verlenging, na
de teruggave van het goed door de huurder, worden betrokken.
Het goed moet gedurende ten minste twee jaar werkelijk en
doorlopend betrokken blijven.] Indien de verhuurder, zonder
het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden,
binnen de gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van
het goed niet verwezenlijkt, heeft de huurder recht op een
vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur. [De
partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van
vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.]
§ 3. Bij
het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige
periode kan de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen met
inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden
indien hij voornemens is het onroerend goed of een gedeelte
ervan weder op te bouwen, te verbouwen of te renoveren, op
voorwaarde dat die werkzaamheden: – worden uitgevoerd met
eerbiediging van de bestemming van het goed die voortvloeit
uit de wets- en verordeningsbepalingen inzake stedebouw; –
worden uitgevoerd aan het door de huurder bewoonde gedeelte
en; – meer kosten dan drie jaar huur van het verhuurde goed
ofwel, indien het gebouw waarin dit goed gelegen is uit
verscheidene verhuurde woningen bestaat die aan dezelfde
verhuurder toebehoren en die van de werkzaamheden ongerief
hebben, meer kosten dan twee jaar huur voor al die woningen
samen. [Met het oog op het goede verloop van de werken kan
de verhuurder van verscheidene woningen in eenzelfde gebouw
te allen tijde verscheidene huurovereenkomsten beëindigen,
met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden,
voor zover de huurovereenkomst niet tijdens het eerste jaar
wordt opgezegd.] De verhuurder moet aan de huurder kennis
geven van, ofwel de hem verleende bouwvergunning, of een
omstandig bestek, of een beschrijving van de werkzaamheden
samen met een gedetailleerde kostenraming, of een
aannemingsovereenkomst. [De werken moeten worden aangevat
binnen zes maanden en worden beëindigd binnen vierentwintig
maanden na het verstrijken van de opzegging door de
verhuurder of, in geval van verlenging, na de teruggave van
het goed door de huurder.] Indien de verhuurder, zonder het
bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de
gestelde termijn en voorwaarden de werken niet uitvoert,
heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan
achttien maanden huur. Op verzoek van de huurder is de
verhuurder verplicht hem kosteloos de documenten mede te
delen waaruit blijkt dat de werken overeenkomstig de bij
deze paragraaf gestelde voorwaarden zijn uitgevoerd. De
partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van
vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 4. Bij
het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige
periode kan de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen met
inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden,
zonder motivering, maar met betaling van een vergoeding.
Deze vergoeding is gelijk aan negen dan wel zes maanden huur
naargelang de overeenkomst een einde neemt bij het
verstrijken van de eerste of de tweede driejarige periode.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om deze mogelijkheid
van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 5. De
huurder kan de huurovereenkomst op ieder tijdstip beëindigen
met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
Indien de huurder de huurovereenkomst evenwel beëindigt
tijdens de eerste driejarige periode, heeft de verhuurder
recht op een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan drie
maanden, twee maanden of één maand huur naargelang de
huurovereenkomst een einde neemt gedurende het eerste, het
tweede of het derde jaar. [Wanneer de verhuurder de
huurovereenkomst beëindigt overeenkomstig de §§ 2 tot 4, kan
de huurder op zijn beurt de huurovereenkomst te allen tijde
beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van
een maand. In dat geval is hij de vergoeding bedoeld in het
vorig lid niet verschuldigd.]
§ 6.
[In afwijking van § 1 kan de huurovereenkomst schriftelijk
worden gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk
aan drie jaar. Die huurovereenkomst is niet onderworpen aan
de bepalingen van de §§ 2 tot 5. Zij kan slechts eenmaal,
enkel schriftelijk en onder dezelfde voorwaarden, worden
verlengd zonder dat de totale duur van de huur langer dan
drie jaar mag zijn. Zij wordt beëindigd mits één van de
partijen ten minste drie maanden vóór het verstrijken van de
in de overeenkomst bepaalde duur een opzegging betekent.
Niettegenstaande enig andersluidend beding of andersluidende
overeenkomst, wordt bij ontstentenis van een tijdig
betekende opzegging of indien de huurder het goed blijft
bewonen zonder verzet van de verhuurder, zelfs in de
veronderstelling dat een nieuwe huurovereenkomst wordt
gesloten tussen dezelfde partijen, de huurovereenkomst
geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar te
rekenen van de datum waarop de aanvankelijke
huurovereenkomst van korte duur in werking is getreden en is
zij derhalve onderworpen aan de §§ 1 tot 5. In dat geval
blijven de huurprijs en de andere voorwaarden dezelfde als
die welke bepaald waren in de aanvankelijk gesloten
huurovereenkomst van korte duur, zulks onverminderd de
toepassing van de artikelen
6
en 7.]
§ 7. In
afwijking van § 1 kan de huurovereenkomst tevens bij
geschrift worden gesloten voor een termijn die een duur van
negen jaar te boven gaat. Die huurovereenkomst loopt ten
einde bij het verstrijken van de overeengekomen termijn mits
een van de partijen ten minste zes maanden vóór de vervaldag
een opzegging betekent. Als binnen die termijn geen
opzegging wordt betekend, wordt de huurovereenkomst telkens
onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar
verlengd. De vergoeding die met toepassing van artikel 3, §
4, is verschuldigd door de verhuurder die, bij het
verstrijken van de derde driejarige periode of van een
volgende driejarige periode, een einde maakt aan de
huurovereenkomst, is gelijk aan drie maanden huur.
[§ 8. In
afwijking van § 1 kan de huurder een schriftelijke
huurovereenkomst sluiten voor het leven. Die
huurovereenkomst eindigt van rechtswege bij het overlijden
van de huurder. Die huurovereenkomst is niet onderworpen aan
de bepalingen van de §§ 2 tot 4, tenzij partijen anders
overeenkomen.]
[§ 9. In
alle gevallen waarin een opzegging te allen tijde kan worden
gedaan, neemt de opzeggingstermijn een aanvang de eerste dag
van de maand die volgt op de maand tijdens welke de
opzegging wordt gedaan.]
§ 2
gewijzigd bij art. 6, 1° W. 13 april 1997 (B.S., 21
mei 1997), van toepassing op de huurovereenkomsten gesloten
of vernieuwd na 31 mei 1997 (art. 15) en bij art. 6, 2°, 3°
en 4° W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei 1997), van
toepassing op de huurovereenkomsten die lopen op 31 mei 1997
(art. 15).
§ 3
gewijzigd bij art. 6, 5° en 6° W. 13 april 1997 (B.S.,
21 mei 1997), van toepassing op de huurovereenkomsten die
lopen op 31 mei 1997 (art. 15).
§ 5
gewijzigd bij art. 6, 7° W. 13 april 1997 (B.S., 21
mei 1997), van toepassing op de opzeggingen door de
verhuurder gedaan na 31 mei 1997 (art. 15).
§ 6
vervangen bij art. 6, 8° W. 13 april 1997 (B.S., 21
mei 1997), van toepassing op de overeenkomsten van korte
duur die gesloten, verlengd of vernieuwd worden na 31 mei
1997 (art. 15).
§ 8
ingevoegd bij art. 6, 9° W. 13 april 1997 (B.S., 21
mei 1997), van toepassing op de huurovereenkomsten gesloten
of vernieuwd na 31 mei 1997 (art. 15).
§ 9
ingevoegd bij art. 6, 10° W. 13 april 1997 (B.S., 21
mei 1997), van toepassing op de opzeggingen gedaan na 31 mei
1997 (art. 15).
Art. 4.
Overdracht van huur en onderhuur
§ 1. De
overdracht van de huurovereenkomst is verboden, behoudens
schriftelijke en voorafgaande toestemming van de verhuurder.
In dat geval wordt de overdrager ontheven van elke
toekomstige verplichting, behoudens een in de overeenkomst
tot overdracht van de huurovereenkomst opgenomen
andersluidend beding.
§ 2. De
huurder die een woning in huur genomen heeft die hij tot
zijn hoofdverblijfplaats bestemt, mag het goed niet volledig
onderverhuren. Met de instemming van de verhuurder mag hij
een gedeelte van dat goed onderverhuren op voorwaarde dat
het resterende gedeelte tot zijn hoofdverblijfplaats bestemd
blijft. Indien het onderverhuurde goed bestemd wordt als
hoofdverblijfplaats van de onderhuurder, worden de rechten
en verplichtingen van de huurder en van de onderhuurder, wat
hun respectieve verhouding betreft, bepaald door deze
afdeling, onder voorbehoud van de volgende bepalingen van
deze paragraaf. De duur van de onderverhuring mag de
resterende looptijd van de hoofdhuurovereenkomst niet
overtreffen. De huurder moet vooraf de onderhuurder in
kennis stellen van diens hoedanigheid en van de omvang van
diens rechten. Wanneer de verhuurder aan de
hoofdhuurovereenkomst een einde maakt, moet de huurder
uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de opzegging
een afschrift daarvan aan de onderhuurder betekenen en hem
ervan in kennis stellen dat de onderverhuring op dezelfde
dag als de hoofdhuurovereenkomst beëindigd wordt. Wanneer de
huurder vervroegd de hoofdhuurovereenkomst beëindigt, moet
hij de onderhuurder een opzeggingstermijn van ten minste
drie maanden geven, samen met een afschrift van de opzegging
die hij aan de verhuurder richt, en moet hij de onderhuurder
een vergoeding betalen die gelijk is aan drie maanden huur.
In de gevallen, bedoeld in de twee voorgaande leden, is
artikel 11 niet van toepassing.
[§ 2bis.
Onderverhuring is toegestaan onder de voorwaarden bepaald in
artikel 1717, tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk
Wetboek, door de erin vermelde rechtspersonen. Het derde tot
zevende lid van § 2 zijn op deze onderverhuring van
toepassing.]
§ 3. De
huurder alleen is ten aanzien van de verhuurder en de
onderhuurder of de overnemer aansprakelijk voor de gevolgen
die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van
dit artikel.
§ 2bis
ingevoegd bij art. 7 W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei
1997), van toepassing op de huurovereenkomsten gesloten of
vernieuwd na 31 mei 1997 (art. 15).
Art. 5.
Onroerende voorheffing
De
onroerende voorheffing betreffende het gehuurde onroerende
goed kan niet ten laste van de huurder worden gelegd.
Art. 6.
Indexatie
[Indien zulks niet uitdrukkelijk is uitgesloten en op
voorwaarde dat de huurovereenkomst bij geschrift is
gesloten, is de aanpassing van de huurprijs aan de kosten
van levensonderhoud eenmaal per huurjaar, verschuldigd op de
verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst,
volgens de regels bepaald bij
artikel 1728bis
van het Burgerlijk Wetboek.] Deze aanpassing vindt slechts
plaats op schriftelijk verzoek van de belanghebbende partij
en werkt slechts terug tot drie maanden voorafgaand aan die
van het verzoek.
Gewijzigd
bij art. 8 W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei 1997), van
toepassing op de huurovereenkomsten gesloten of vernieuwd na
31 mei 1997 (art. 15).
Art. 7.
Herziening van de huurprijs en de lasten
§ 1.
Onverminderd artikel 8 kunnen de partijen tussen de negende
en de zesde maand voorafgaand aan het verstrijken van elke
driejarige periode overeenkomen dat de huurprijs wordt
herzien. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen
kan de rechter een herziening van de huurprijs toestaan
indien blijkt dat de normale huurwaarde van het gehuurde
goed ten gevolge van nieuwe omstandigheden ten minste
twintig percent hoger of lager is dan de op het tijdstip van
de indiening van het verzoek eisbare huurprijs. [Hij kan
tevens een verhoging van de huurprijs toestaan aan de
verhuurder die bewijst dat de normale huurwaarde van het
gehuurde goed met ten minste tien percent van de op het
tijdstip van de indiening van het verzoek eisbare huurprijs
is gestegen ten gevolge van werken die op zijn kosten in het
gehuurde goed zijn uitgevoerd, met uitzondering van de
werken die noodzakelijk waren om het goed in overeenstemming
te brengen met de vereisten van
artikel 2,
eerste lid.] De rechter doet uitspraak naar billijkheid. De
vordering kan slechts worden ingesteld tussen de zesde en de
derde maand vóór het verstrijken van de driejarige periode.
De herziene huurprijs geldt te rekenen van de eerste dag van
de volgende driejarige periode, maar de vroegere huurprijs
kan voorlopig worden gevorderd tot op de dag van de
definitieve beslissing. [In het geval van
artikel 3,
§ 8, kunnen partijen evenwel overeenkomen af te zien van het
recht de huurprijs te herzien.]
[§ 1bis.
Indien een woning het voorwerp is van opeenvolgende
huurovereenkomsten met verschillende huurders, gesloten voor
een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar en die
beëindigd worden door een opzegging door de verhuurder, mag
de basishuurprijs gedurende negen opeenvolgende jaren niet
hoger zijn dan de bij het begin van de negenjarige periode
eisbare huurprijs, proportioneel aangepast aan de kosten van
levensonderhoud, tenzij de normale huurwaarde van het goed
ondertussen ten gevolge van nieuwe omstandigheden, met ten
minste twintig percent of ten gevolge van werken in het
gehuurde goed met ten minste tien percent is gestegen.
Niettegenstaande enig andersluidend beding of andersluidende
overeenkomst vermindert de rechter de huurprijs tot de
huurprijs die eisbaar is krachtens de vorige
huurovereenkomst, proportioneel aangepast aan de kosten van
levensonderhoud, wanneer de verhuurder niet bewijst dat de
huurprijs werd vastgelegd overeenkomstig de bepalingen van
het eerste lid. De proportioneel aangepaste huurprijs wordt
berekend als volgt: basishuurprijs bij het begin van de
negenjarige periode vermenigvuldigd met het indexcijfer van
de maand voorafgaand aan die van het sluiten van de nieuwe
huurovereenkomst en gedeeld door het indexcijfer van de
maand voorafgaand aan die van het sluiten van de
huurovereenkomst bij het begin van de negenjarige periode.]
§ 2.
[Iedere partij kan te allen tijde] aan de vrederechter de
herziening van de forfaitaire kosten en lasten vragen of de
omzetting ervan in werkelijke kosten en lasten. De rechter
doet inzonderheid uitspraak op grond van de ontwikkeling van
de werkelijke uitgaven. Hij beslist tot de omzetting indien
zij mogelijk is.
§ 1
gewijzigd bij art. 9, 1° en 2° en § 1bis ingevoegd
bij art. 9, 3° W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei 1997),
van toepassing op de huurovereenkomsten gesloten of
vernieuwd na 31 mei 1997 (art. 15).
§ 2
gewijzigd bij art. 9, 4° W. 13 april 1997 (B.S., 21
mei 1997), van toepassing op de overeenkomsten die lopen op
31 mei 1997 (art. 15).
Overgangsbepaling: art. 15, lid 2 W. 13 april 1997 (B.S.,
21 mei 1997).
Art. 8.
Renovatie
[De
partijen kunnen te allen tijde schriftelijk overeenkomen dat
de huurder zich ertoe verbindt op zijn kosten in het
gehuurde goed bepaalde werken uit te voeren, die door de
verhuurder moeten worden verricht. Zij moeten de termijn
bepalen waarbinnen de werken moeten worden uitgevoerd. In
dit geval kan van artikel 2 worden afgeweken op voorwaarde
dat de voorgenomen werken er toe strekken het gehuurde goed
in overeenstemming te brengen met de vereisten van dat
artikel, dat deze werken precies omschreven worden, dat de
aanvang voor de werken binnen een redelijk tijdstip is
bepaald en dat geen huurgelden verschuldigd zijn tijdens de
overeengekomen duur ervan, met dien verstande dat deze duur
niet korter mag zijn dan degene die redelijkerwijze
noodzakelijk is om ze uit te voeren. Als tegenprestatie
verbindt de verhuurder zich ertoe tijdens een bepaalde
periode die meer dan negen jaar kan bedragen, af te zien van
het recht aan de huurovereenkomst een einde te maken of van
het recht de herziening van de huurprijs te vragen, of
verbindt hij zich ertoe de huurprijs te verlagen of kwijt te
schelden. Na beëindiging van de werken wordt op verzoek van
de meest gerede partij overgegaan tot de oplevering ervan op
tegenspraak.]
Vervangen
bij art. 10 W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei 1997), van
toepassing op de huurovereenkomsten gesloten of vernieuwd na
31 mei 1997 (art. 15).
Art. 9.
Overdracht van het gehuurde goed
Indien de huurovereenkomst een vaste dagtekening vóór de
vervreemding van het gehuurde goed heeft, treedt de
verkrijger om niet of onder bezwarende titel in de rechten
en verplichtingen van de verhuurder [op de datum van het
verlijden van de authentieke akte], zelfs indien de
huurovereenkomst het recht van uitzetting in geval van
vervreemding bedingt. Hetzelfde geldt wanneer de
huurovereenkomst geen vaste dagtekening vóór de vervreemding
heeft, indien de huurder het verhuurde goed sinds ten minste
zes maanden betrekt. In dat geval kan de verkrijger evenwel
de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen, om de redenen
en onder de voorwaarden bedoeld in
artikel 3,
§§ 2, 3 en 4, mits aan de huurder, op straffe van verval,
een opzegging van drie maanden wordt betekend binnen drie
maanden te rekenen [van de datum van het verlijden van de
authentieke akte] tot vaststelling van de overgang van
eigendom.
Gewijzigd
bij art. 11 W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei 1997), van
toepassing wanneer de eigendomsoverdracht plaatsvindt na 31
mei 1997 (art. 15).
Art. 10.
Waarborg
Indien de huurder, ongeacht de in
artikel 1752
van het Burgerlijk Wetboek bedoelde zekerheid, ter nakoming
van zijn verbintenissen een waarborg stelt die bestaat in
een som geld, mag deze een bedrag gelijk aan drie maanden
huur niet overtreffen. Deze waarborg moet bij een financiële
instelling op een geïndividualiseerde rekening op naam van
de huurder worden geplaatst; de interest wordt
gekapitaliseerd en de verhuurder verkrijgt een voorrecht op
het actief van de rekening voor elke schuldvordering
voortvloeiend uit de gehele of gedeeltelijke niet-nakoming
door de huurder van zijn verplichtingen. [Wanneer de
verhuurder in het bezit is van de waarborg en nalaat deze te
plaatsen op de wijze bepaald in het tweede lid, is hij de
huurder de gemiddelde marktrente op het bedrag van de
waarborg verschuldigd vanaf de overhandiging ervan. Deze
intrest wordt gekapitaliseerd. Vanaf de dag waarop de
huurder de verhuurder aanmaant de verplichting na te komen
die hem bij het tweede lid wordt opgelegd, zijn evenwel de
wettelijke intresten op het bedrag van de waarborg
verschuldigd.] Over de waarborgrekening, zowel wat de
hoofdsom als de interesten betreft, mag niet worden beschikt
ten bate van de ene of de andere partij, dan op voorlegging
of van een schriftelijk akkoord, opgemaakt ten vroegste na
beëindiging van de huurovereenkomst, of van een afschrift
van een rechterlijke beslissing. Die beslissing is
uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep
en zonder borgtocht, noch kantonnement.
Gewijzigd
bij art. 12 W. 13 april 1997 (B.S., 21 mei 1997), van
toepassing op de overeenkomsten die lopen op 31 mei 1997 (art.
15).
Art. 11.
Verlenging wegens buitengewone omstandigheden
Wanneer een
huurovereenkomst vervalt of eindigt ten gevolge van een
opzegging, kan de huurder, die het bewijs levert van
buitengewone omstandigheden, om een verlenging verzoeken.
Deze verlenging wordt, op straf van nietigheid, uiterlijk
een maand voor de vervaldag van de huur aan de verhuurder
gevraagd bij een ter post aangetekende brief. Bij gebrek aan
overeenstemming tussen de partijen kan de rechter, rekening
houdend met de belangen van de twee partijen, ondermeer met
de eventuele hoge leeftijd van een van de partijen, de
verlenging toestaan. Hij stelt de duur ervan, die bepaald
moet zijn, vast. De rechter, kan in dit geval, indien hij
het billijk acht, op verzoek van de verhuurder eveneens een
verhoging van de huurprijs toestaan, en de vergoeding die
bij toepassing van artikel 3, § 4, verschuldigd is, beperken
of opheffen. Slechts één aanvraag om hernieuwing van de
verlenging kan worden ingediend onder dezelfde voorwaarden.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de
rechter deze verlenging toestaan eveneens onder dezelfde
voorwaarden.
Art. 12.
Behalve als
zij er anders over beschikken, zijn de bepalingen van deze
afdeling van dwingend recht. |